Paradise lost, paradise regained

Paradise lost, paradise regained

 

 

Met de titel ‘Paradise lost, paradise regained[1] over de overwinning op onszelf wil ik laten zien dat wat vernietigd wordt, ook altijd weer tenietgedaan kan worden. Ook al vraagt dat offers van onszelf. Het ‘paradijs’ van Milton vervang ik door twee andere ruimtelijke connotaties ‘landschap’ en ‘land’. In het verlies van beide zitten aanknopingspunten voor het aanbrengen van nieuwe betekenissen aan beide.

 

In ons dicht bevolkte land is sprake van een continue strijd om de ruimte. Had die strijd in een ver verleden vooral de vorm van een gevecht van de mens tegen het water en van de winning van land op water, in het recente verleden heeft die strijd een grimmiger karakter gekregen. Daarin leggen de economisch minder sterke typen grondgebruik het af tegen de sterkere vormen. Dit heeft gevolgen voor de inrichting en beleving van het landschap. In dit essay diep ik dat verder uit en sta ik stil bij een diepe ervaring van verlies. Die ingrijpende ervaring heeft te maken met processen van ontheming en ontworteling. Wat ik wil laten zien is dat deze processen die zichtbaar zijn in het landschap een afspiegeling zijn van wat zich in de samenleving aan het afspelen is. Tot slot, ga ik op zoek naar mogelijkheden voor een nieuwe verbinding in de relatie tussen mensen onderling en in de relatie van de mens tot z’n omgeving, bij uitstek het studiegebied van de ruimtelijke wetenschappen. Daarover wil ik eerst iets vanuit mijn eigen beleving vertellen.

 

  1. Waardering voor het landschap [2]

Een van mijn belangrijkste drijfveren om kennis te nemen van de ruimtelijke wetenschappen - sociale geografie en planologie in mijn geval - was mijn affectie voor de schoonheid van het landschap. Tijdens mijn jonge jaren leerde ik het coulisselandschap van de Achterhoek waarderen en vooral de verrassing wat er zich achter de heggen, het struweel en de kleine boompartijen bevond. Ook de Waddeneilanden trokken mij erg aan. In het eeuwige spel tussen land, wind en zee ontstaan en ‘wandelen’ deze eilanden: er komen stukken land bij en er gaan stukken af. Niets blijft gelijk. En op die eilanden vestigden zich bewoners, die zich wisten aan te passen aan de natuurlijke dynamiek en die er daardoor een heel eigen leefwijze en smaak op nahouden. Niet verrassend dus dat die studie een schot in de roos was en mijn warme gevoelens voor de schoonheid en verscheidenheid aanwakkerden met theoretische kennis van het geografische vakgebied[3]. Met name in de cultuurgeografie staat de invloed van de mens op de natuur centraal: hoe vormt de mens de oorspronkelijke natuurlandschappen om tot cultuurlandschappen? En hoe kan daarin de rol en betekenis van ‘natuur’ worden geborgd? Immers, de relatie tussen mens en natuur is een tweezijdige relatie en moet ook als zodanig worden gewaardeerd. Je zou kunnen zeggen dat ik een meer ecologische kijk ging ontwikkelen in de relatie mens en natuur en daarmee ook die tussen mens en landschap. Mijn kandidaatsscriptie over het eiland=de gemeente Vlieland bood mij daarvoor een opstap. Ik leerde een gebied met z’n sociale en fysische uniciteiten te waarderen en in een ruimer perspectief te plaatsen. Aan het ontwikkelen van dat ruimere perspectief droeg ook het boek van O’Riordan bij dat ik tijdens een excursie naar London kocht over ‘environmentalisme’[4]: de weg om een morele code te ontwikkelen voor (ruimtelijk) gedrag van mensen vanuit een viertal kernwaarden: eerbied, nederigheid, verantwoordelijkheid en zorg voor de omgeving en de mensen voor elkaar. Uitvloeisel van dit environmentalisme met z’n vier kernwaarden is de afkeuring van homogene en grootschalige landschappen die een onpersoonlijkheid aan (levens)vormen laat zien.

 

Hoewel ik ook tegenwoordig tijdens wandelingen[5] en fietstochten met volle teugen kan genieten van het landschap dat ik doorkruis en op ‘postzegelniveau’ een behoorlijke variëteit aan landschappen tegenkom, overheersen toch de uitgestrekte en eentonige gebieden met intensieve landbouw en veeteelt. Ik kom tot de conclusie dat sprake is van onvoldoende ruimtelijke kwaliteit en dat de gebieden ook niet de toets der kritiek kunnen doorstaan als we kijken naar de bovengenoemde vier kernwaarden. Wat zegt dit over onze relatie met natuur en landschap, over ons (economische) systeem en ten diepste ook over onszelf?

 

  1. Ontworteld landschap

Als uitvloeisel van de dominantie van de mens zijn veel natuurlandschappen in de loop van de tijd omgezet in cultuurlandschappen. Tijdens mijn wandelingen en fietstochten ervaarde ik zowel de fijnmazigheid en schone kwetsbaarheid van de landschappen als ook de grootschalige ingrepen in oude landschappen die hebben geleid tot monofunctionele gebieden. Deze zijn het resultaat van een globaliserende markttrend van opbrengstverhoging per hectare door de inzet van efficiënte productiemiddelen. Ik kwam erachter dat die zichtbare uniformiteit en homogeniteit mijn mentale relatie met het landschap veranderde. Op het strand van Vlieland kan ik uitkijkend op de Noordzee nog kan mijmeren over wat er aan de andere kant van de zee ligt en wandelend in de Achterhoek kan ik nog stuiten op een bomengroep op een heuvel die vragen oproept wat daarachter ligt. Steeds is daar sprake van een spannend niet-weten, het onbekende. Dit soort bespiegelingen krijg ik niet als ik uitkijk over kilometerslange grasvelden. Hier is het verleden als het ware uit het huidige landschap verdwenen ten koster van identiteit. Op dat belangrijke begrip ‘identiteit’ kom ik later nog terug als ik het heb over ‘Heimat’. In elk geval wekt het beeld bij mij een gevoel op van tragische ontworteling. In twee opzichten: de mens is een losgesneden zijn van het verleden en de vegetatie en gewassen zijn losgesneden van het rijke bodemleven door de inzet van kunstmest en pesticiden.

 

De dingelijkheid van het landschap

We zouden kunnen zeggen dat ons landschap geleidelijk aan is omgetoverd tot iets dingmatigs dat ingezet wordt om onze primaire, materiële, grootschalige behoeften te bevredigen. Ook in de schilderkunst wordt deze transformatie van westerse landschappen zichtbaar. Wat overheerst is een enorme leegte. Heel treffend is de conclusie van de cultuurfilosoof Ton Lemaire dat de 20e eeuw in het teken stond van ‘ontheming’. Als voorbeelden daarvan wijst hij op de schilderijen van Dali, Tanguy, Chirico en Willink. Allemaal tonen de schilderijen een vreemde, onheilspellende en onmenselijke wereld, waarin bijvoorbeeld de verzoening van mens en natuur uit het impressionisme in haar tegendeel is omgeslagen[6].

 

Lemaire laat zien dat nog in de Middeleeuwen het landschap vooral gezien - en ook als zodanig afgebeeld – wordt als een creatie van God. Vanaf de Verlichting wordt de wereld, de aarde, het landschap gezien als iets dat door en voor de mens gemaakt is. Werd dus in de Middeleeuwen het bewijs van God en zijn almacht gebruikt als rechtvaardiging voor hoe alles in elkaar zit, vanaf de Verlichting is volgens Lemaire sprake van een rechtvaardiging van de aarde in handen van de mens[7].

Die rechtvaardiging kan volgens hem op drie manieren worden ingezet: via de voorstelling van de wereld als mechanisme van de fysica met al z’n wetten; de wereld te bezien als landkaart beoefend in de geografische wetenschappen; de wereld als afbeelding van een landschap, zoals de kunst die weergeeft en zoals wij die ervaren. Hoe ervaren we bijvoorbeeld onderstaand surrealistisch landschap van Yves Tanguy. Helaas zonder titel, maar wat het landschap laat zien is verlatenheid en ontheming. Er is geen mens te zien behalve een aantal ondefinieerbare attributen in een kaal, leeg en verlaten landschap.

 

Kaal en verlaten landschap

 

Wie zou zich hier thuis kunnen voelen, was het eerste dat in mij opkwam. Je kunt je zelfs afvragen of we met een natuur- of cultuurlandschap te maken hebben. Misschien een vreemde gedachtesprong, maar hoe anders is dit landschap dan het onderstaande landschap? Een landschap met diepe ploegsporen die schijnbaar reiken tot aan de einder. Een landschap waar de boer bijna uit verdwenen is, waar de plaats als plek waar men woont, werkt en leeft er niet toe doet en vervangen is door een onpersoonlijk ruimtebegrip met een type landschap dat zich overal zou kunnen bevinden. Grote delen van het cultuurlandschap zijn getransformeerd in grootschalige productielandschappen met een aantal eigenschappen die we eerder hebben genoemd: verlaten, ontheemd en vervreemdend.

 

Geocidee

 

Moeten we er rekening mee houden dat dit soort landschappen kenmerkend zijn voor de landschappen van de 21e eeuw? Kan de geodicee, de rechtvaardiging van de grond of van het landschap, nog iets anders gaan betekenen dan ‘ruimtelijke uitgestrektheid’, geëxploiteerd gebied dat kunstmatig vruchtbaar gehouden moet worden? Ik vermoed van wel, maar kan nog niet exact de richting bepalen. Wel zijn er een paar filosofen die in hun denken aanknopingspunten formuleren voor een andere landschapsbeleving. Beiden spreken niet over de verdingelijking van zaken in deze tijd[8], maar over de waarde en betekenis van dingen zelf. Zo vat Martin Heidegger een landschap als ding niet op als een substantief, maar als een werkwoord, iets waar een werking van uit gaat en een verbinding met ons als mens aangaat. Misschien nog meer dan Heidegger lijkt Bruno Latour een aanknopingspunt te hebben geformuleerd voor de nieuwe geodicee van de 21e eeuw. Volgens Latour zijn mensen en dingen (zoals ook het landschap) beide actieve spelers in een netwerk van relaties. De mens heeft geen betekenis zonder het landschap en het landschap niet zonder de mens. Juist omdat het landschap een actieve speler is in z’n betrekkingen met de mens, heeft het rechten. Niet voor niets spreekt Latour dan ook over het Parlement van de Dingen[9]. Het mag duidelijk zijn dat het landschap dat we hierboven zien niet iets uitstraalt wat om rechten vraagt. Een behoorlijke weg nog te gaan…..

 

Het landschap vraagt iets van ons

Voortbordurend op het denken van Latour wijst De Haas erop dat als iets rechten heeft, datgene dat rechten heeft ook een moreel appèl op ons kan doen[10]. Namelijk dat we als mens veel, maar niet onbeperkte handelingsvrijheid hebben. Zo roept het landschap niet alleen een gevoel in ons op (zoals dat bij mij het geval was bij mijn bezoeken aan de Waddeneilanden en de Achterhoek), maar het doet ook een beroep op ons. Dat is waar O’Riordan met z’n vier kernwaarden van verantwoordelijkheid, zorg, eerbied en nederigheid waarschijnlijk op doelde. Veel landschappen roepen een gevoel van geborgenheid op en leveren ook een idee van vergankelijkheid. En tegelijkertijd gaan we er bij de beleving ook beelden en mythen van produceren. Zo wordt, volgens De Haas, de Nederlandse identiteit gedragen door drie landschapsmythen: water, ordening en consensus. Van oorsprong was onze strijd tegen het water gericht op het tegenhouden en ‘terugduwen’ van het water. Nu we door klimaatverandering ook te maken krijgen met gebrek aan water, moeten we onze strategie aanpassen en moeten we ook water opvangen en vasthouden. Dit brengt onze Deltacommissaris Verdaas voor Prinsjesdag 2024 onder de aandacht van het nieuw aangetreden kabinet Schoof. Volgens hem moeten we van strategie veranderen: van ons ‘beschermen tegen water’ moeten we ‘leren te leven met water’. Het grote programma ‘Ruimte voor rivieren’ is hier een eerste voorbeeld van. Ook met ordening en consensus is iets bijzonders aan de hand. Wat de Deltacommissaris zegt over onze verhouding tot water geldt evenzeer voor onze verhouding tot grond. Van exploiteren en uitputten van grond moeten we veranderen in ‘leven met de grond’, dat wil zeggen luisteren naar wat de grond van ons vraagt. Zover is het helaas nog niet. Om te kunnen ordenen zijn onderzoek en statistiek onmisbaar. Planning mag dan de ‘schoffel van de tuinierende staat’ zijn, het vereist een continu inzicht in de maatschappelijke dynamiek en de onderliggende mechanismen. Toch heeft de toenmalige regering Rutte I in het dichtbevolkte Nederland een van onze belangrijkste Ministeries, namelijk van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu in 2010 afgeschaft. Alsof Nederland ‘af’ was en de hele wereld- en lokale dynamiek aan Nederland voorbijgaat. Inmiddels worden we geconfronteerd met nog meer schaarste aan grond, de vele vaak tegenstrijdige ruimteclaims, het tekort aan natuur (en biodiversiteit) en een uit z’n krachten gegroeide grootschalige landbouw. En zo ontkomt de staat niet aan visie, ordening en planning. Consensus daarover is er zoals verwacht niet. Weliswaar heeft de consensus over het werkwoord ‘polderen z’n waarde en een lange geschiedenis achter zich, waarin creativiteit en geduld nodig waren om tot een gedeelde oplossingsrichting te komen. Toch ervaren velen tegenwoordig ‘consensus’ en ‘polderen’ als lege en bloedeloze begrippen, omdat de besluitvorming ernstig vertraagd wordt. Redenen daarvoor zijn: het ontbreken van een inspirerende visie met een nieuw toekomstperspectief, de polarisatie in de politiek die te herleiden is tot verschillende ‘Weltanschauungen’ met onderliggende waardenpatronen.

 

Herwaarderen van het landschap en op een nieuwe manier leven met de grond is niet iets wat we zomaar voor elkaar krijgen. Dat vraagt oefening. Peter Sloterdijk heeft het over oefenen om ons leven te veranderen[11]. Dat vereist volgens hem het ontwikkelen van een co-immuniteit: door dagelijkse te oefenen van goede gewoonten kunnen we ons een gemeenschappelijk overleven eigen maken. Dat betekent het leren overwinnen van crises en tegenslagen. Hoewel de scope van Sloterdijk betrekking heeft op de wereld in z’n algemeenheid, geldt dat ook andere ruimtelijke schaalniveaus: voor ons land en onze landschappen. Wat het landschap namelijk van ons vraagt is zorg hebben om haar. Die zorg is alles omvattend voor wat wij doen, van in standhouden tot herstellen opdat we zo goed en gezond mogelijk kunnen leven. Oefenen is dus meer dan ontwerpen alleen, het is, zoals De Haas opmerkt grip krijgen op het complexe spel tussen ruimtelijke elementen en de snelle en langzame dynamieken die deel uitmaken van het landschap (zie noot 1 over de drie landschapslagen). Dat ‘grip krijgen op’ heeft ook te maken met het begrijpen van die dynamiek en dat is alleen maar mogelijk als we allemaal in staat en bereid zijn de pijn met elkaar te delen: bijvoorbeeld de burgers en ontwikkelaars in de stad, de boeren en natuurbeheerders op het platteland. Het adagium is: aandacht als vorm van wederzijdse betrokkenheid en van oordeelloos bekijken van de spanning tussen wat kan en wat moet. Dat vereist zowel sensibiliteit als weerbaarheid[12]. Dus zowel ontvankelijkheid en openstaan voor de ander en het andere als weerbaarheid door het weerstaan van de pijn, het doorzetten en overwinnen van tegenslag en het blijven opkomen voor de goede zaak.

 

Als we terugkeren naar de vraag wat het landschap van ons vraagt en hoe we nieuwe gewoonten moeten aanleren en zorg hebben voor het landschap is het de moeite waard om in te zoomen op een schijnbaar kleine ingreep met mogelijk verstrekkende positieve effecten: de heg als beeldbepalend, duurzaam element in ons landschap.

 

Heg-management als voorbeeld van landschapszorg

Heggen zijn beeldbepalende landschapselementen, ze accenturen de beslotenheid van het landschap en suggereren door hun begrensdheid veiligheid. Maar ze vragen aandacht. Landschapszorg kan het antwoord zijn. Het is een normerend begrip, want het landschap vraagt iets van ons. Een mooi voorbeeld van landschapszorg trof ik aan in het lezenswaardige boekje van Kenneth Rijsdijk over heggen[13]. Daarvoor is het goed om even terug te gaan in de geschiedenis. Al in de 19e eeuw, maar vooral in de 20e eeuw, na WO II is sprake geweest van enorme landbouwhervormingen met veel ruilverkaveling. Het narratief was: grootschalige, intensieve landbouw om de honger in eigen land te stillen. In het kader van efficiënte bedrijfsvoering stond onze uitgebreide heggeninfrastructuur in de weg. In korte tijd werd maar liefst 225.000 kilometer heg in Nederland verwijderd. Met als gevolg: hoge opbrengsten, groeiende export naar het buitenland, maar ook – en dat wordt steeds duidelijker zichtbaar – uitputting van de bodem, compensatie door kunstmest, afnemende biodiversiteit, water- en winderosie en – zoals eerder al gememoreerd – saaie, niet spannende landschappen.

 

Rijsdijk pleit daarom met veel houtsnijdende argumenten voor het terugbrengen van de heg in het landschap. 225.000 kilometer heg zou in staat zijn om ruim een kwart miljard kilo CO2 te realiseren. De heg is een natuur multiplier: hoe meer dieren en inheemse planten, hoe meer exemplaren van die soorten, hoe groter de overlevingskansen van die soorten. Maar de ecodiensten van de heg zijn hiermee niet uitgeput. Rijsdijk inventariseert verder nog: het levert geneeskrachtig kruiden op en hout, het zijn ware wind- en waterstroombrekers, ze dragen bij aan de waterberging en vormen waterweringen, ze geven schaduw voor het vee, ze versterken het bodemleven, bieden onderdak aan veel dieren, vormen bufferzones in natuurgebieden, voorkomen gewasplagen, verhogen de gezondheid. En niet te vergeten: ze maken een aantrekkelijk landschap, versterken het cultuur-historische besef en de identiteit van een gebied.

 

Kortom: een matig intensieve vorm van heg-management, waarbij licht moet kunnen doordringen tot de bodem, is nodig om die biodiversiteit te blijven garanderen en weer aan te sluiten bij de cultuurhistorie van het landschap. Een voorbeeld daarvan is de Stichting Hoopheggen in het oosten van het land dat met vrijwilligers en sponsors heggen aanlegt waar ze indertijd verloren zijn gegaan. De stichting werkt ook samen met grondeigenaars, die zelf ook bijdragen en meewerken aan het terug planten en onderhouden van de heggen. Dergelijke samenwerking zien we ook bij het Deltaplan Biodiversiteitsherstel; een samenwerkingsverband van natuurorganisaties, boeren, burgers, kennisinstellingen, overheden en bedrijven. Deze samenwerking is gericht op de transitie van de landbouw naar meer natuurinclusiviteit. Dit moet een goed verdienmodel opleveren voor de boeren, een betere wet- en regelgeving, meer kennis en een gebiedsgerichte aanpak. In feite vraagt de natuur vanwege z’n vele ecodiensten, zoals de heggen illustreren, een rechtsgeldige en rechtsgelijke positie. Daarmee sluit ik bij wat eerder Latour over het Parlement van Dingen heeft gezegd.

 

Ook de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap investeert in voorbeeldprojecten waarin boeren een belangrijke rol spelen in het herstel van oude cultuurlandschappen met sloten, houtwallen, elzensingels en heggen. De vereniging beseft dat de ecodiensten groter zijn naarmate sprake is van meer aaneengesloten, dus robuustere landschappen. Het ‘blijven hangen’ in postzegelplannen zal ons niet verder helpen om de gezondheid van de samenleving te bevorderen. De vereniging beseft ook dat succes alleen mogelijk is als sprake is van het ontwikkelen van sociale ecosystemen, namelijk om verschillende partijen bij elkaar te brengen en niet te blijven hangen in een gepolariseerde toestand. Het begin moet zijn de vraag wat haalbaar is voor de boer, want zonder boer geen landschapszorg. Dat vereist een langere termijnvisie die boeren in staat stelt met vertrouwen te investeren in de bedrijfsvoering. Dat een betere landbouw begint bij een betere natuur mag dan voor steeds meer mensen onderschreven worden, niet alle beleidsmakers zijn daar nog van overtuigd[14].

 

  1. Zijn en bestaan

De Stichting Hoopheggen, het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap zijn belangrijke instituties met een nieuwe visie op onze verhouding tot gezondheid, welzijn, economie, natuur en landschap. Deze initiatieven maken ons bewust van de existentiële crisis waarin wij verkeren en die we eerder getypeerd hebben als ontworteling en ontheming. Het beleid van de huidige minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de benaming bevestigen de crisis in onze ‘condition humaine’. Ik wil daar met behulp van het gedachtengoed van de filosoof Martin Heidegger iets verder op in gaan en sluit aan op wat de eerder aangehaalde Wim de Haas daarover zegt. In zijn beroemde werk Sein und Zeit (1920) zet Heidegger zich af tegen de traditioneel filosofische vraag naar de essentie der dingen. Het gaat hem om de vraag naar de betekenis van de dingen voor andere dingen en voor mensen. We moeten het dus volgens hem hebben over de existentie in plaats over de essentie van dingen. Zoals we eerder hebben gezien is het ding voor hem geen substantief of statische gedachtenconstructie, maar een werkwoord, een proces. Elk ding, in ons geval het landschap, is volgens Heidegger te beschouwen vanuit een viertal aspecten: aarde, hemel, onsterfelijken (goden), sterfelijken (mensen). Zo bewonen, bebouwen en bereizen mensen de aarde, gaan om met de ritmes van de natuur en zijn ontvankelijk voor signalen van goden. De goden mogen dan verdwenen zijn uit onze wereld, maar fysieke elementen treffen we aan en – niet minder belangrijk – ontvangen we soms als ‘tekens uit het onbekende’. Ik heb in het begin de voorbeelden genoemd van mijn wandelervaringen langs de kust van Vlieland en de fietservaringen door het coulisselandschap van de Achterhoek. Ik kreeg iets terug van het landschap en voelde me er één mee. Een bijna spirituele ervaring van een wereld elders, achter het landschap waar ik deel van uitmaakte. Helaas zijn dit soort ervaringen aan het uitsterven, omdat de economische exploitatie van landschappen tot grote eentonigheid hebben geleid. Ze prikkelen niet, ze boeien niet en herbergen geen geheim. Dat heeft ermee te maken dat wijzelf ook niet meer open staan voor de signalen en tekens op te vangen die het landschap ons geeft. We ervaren de schoonheid en het wonder der natuur niet meer en behandelen de natuur met een industriële nauwkeurigheid die niet onderdoet voor welke machinebouwer dan ook. Alles wordt gemeten in termen van efficiëntie en levert eentonigheid in landschap en eenzaamheid in gemeenschap op. Gevolg is dat de verbondenheid met het landschap tussen onze vingers wegvloeit en dat ook de verbondenheid van mensen in de gemeenschap en met de omgeving verdwijnt. Ieder zit op z’n eigen eilandje moet het zelf zien te rooien.

 

Jaarringen in een boomDan gaat het niet alleen om de ontheming waar Ton Lemaire het over had, maar ook over de ontworteling waarover dichter Jan Bernlef het over heeft in de laatste strofe van het gedicht ‘Averechts’ uit 1994 waarin hij spreekt over de ontwortelde tijd: “Zoals jaarringen zwijgen in een boom totdat zij, door de bijl bevrijd, rond gaan zingen in een ontwortelde tijd”. Deze strofe van het gedicht is in paleis het Loo in Apeldoorn gekoppeld aan een schijf van een eik die van 1686 tot 2018 voor het paleis stond. De boom heeft de hele geschiedenis van het paleis meegemaakt. De eik heeft alle bewoners zien komen en gaan voordat hij wegens ouderdom moest worden gekapt.

 

Heimat und zu weiter

Heimat und zu weiter

ontheming en ontworteling, een begrippenpaar dat we terugzien in de intrigerende serie ‘Die andere heimat’ van Edgar Reitz. De serie werd uitgebracht in de periode 1981-2006. In tientallen afleveringen laat Reitz de ontwikkeling zien van een plattelandsgemeenschap[15] aan het einde van WO I in 1918 tot het einde van het millennium op 31 december 1999. Reitz heeft het begrip ‘Heimat’ van z’n demonen ontdaan door zich te verplaatsen in de dorpsgemeenschap en de hoofdpersoon laten ontwikkelen tot een kosmopoliet die uiteindelijk toch weer de wortels begrijpt waaruit hij is kunnen opgroeien. Heimat heeft hier dus een hele neutrale betekenis die verwijst naar de nauwe samenhang tussen regio, taal en gemeenschap. In tegenstelling dus tot de lading die het in nazi-Duitsland kreeg en tegenwoordig ook verder aan het oprukken is. De opmars van dit Heimatbegrip niet alleen in Duitsland, maar ook hier in Nederland en in andere Westerse landen, is op te vatten als een kritiek op de bestaande politiek die vergeten is burgers een visie aan te reiken op wat de samenleving is c.q. zou kunnen zijn[16]. We zullen het hier verderop nog uitgebreid over hebben als we aansluiten bij het discours over identiteit. In hoeverre de huidige politiek de juiste weg bewandelt door vol in te zetten op culturele identiteit en niet op rechtvaardigheid van financieel-economische processen c.q. van ons systeem.

 

Zoals de bewoners lange tijd één waren met de boom en de boom één met hen, zo is het ook met de kenmerkende landschappen van vroeger waarin mensen één zijn met hun gebied en hun landschap. Reitz laat zien hoe mens en omgeving lange tijd een eenheid hebben gevormd, maar uit elkaar zijn gegroeid. Letterlijk, omdat een deel van de jongeren de stad en daarmee de hele wereld hebben ontdekt, familie en anderen in kennis en ervaring achterlatend. In figuurlijke zin, omdat de grote landbouwwerktuigen zich tussen de mens en de grond in gewurmd hebben en het land hebben omgevormd tot een uniforme geëxploiteerde vlakte. Zoals van de omgehakte boom de leeftijd gereconstrueerd kan worden, zo is uit het omgevormde landschap niet meer duidelijk wat haar historische wortels zijn. Met die doorgesneden band met het dorp en met het verleden verdwijnt de samenhang tussen stad en dorp, maar ook binnen het dorp, omdat de enige zingeving lijkt te bestaan uit het realiseren van een zo groot mogelijk productie per hectare. Dat heet groei, maar is hooguit kwantitatieve groei.

 

  1. Waardering voor het land

Ik ben dit essay begonnen met het betuigen van mijn liefde voor het landschap en de keuze voor mijn studie. Die liefde bekoelde doordat het landschap steeds meer wordt opgevat als een ding, een ‘commodity’ wat een te exploiteren geldwaarde vertegenwoordigt. Daarmee verdwijnt de schoonheid en wordt het landschap getransformeerd tot puur productielandschap met een homogeen grondgebruik. Dat leidt op zijn beurt weer tot vormen van vervreemding, die we ontheming en ontworteling hebben genoemd. Als we nu de scope verplaatsen van landschap naar land en we zouden daar een waardering over moeten uitspreken in de vorm van de vraag ‘wat vinden we van ons land’ dan kunnen we dezelfde begrippen van ontheming en ontworteling gebruiken als eerder. Hadden we vroeger – mede door de verzuiling – nog enige notie van een natieconcept dat stoelde op gedeelde waarden en dat ons tot op zekere hoogte verbond tot een gemeenschap van herkenning, het doorgeschoten individualisme heeft hier abrupt een einde aan gemaakt. Onze natie, ons vaderland is niet meer wat het was. De geschiedenis schrijdt voort – we kunnen niet terug - en dat moeten we onder ogen zien, maar ontheming en ontworteling zijn een niet te ontkennen gegeven. De samenleving verandert, ieder is meer op zichzelf aangewezen, ‘nieuwe mensen’ mengen zich in ons leven, betreden de arbeids- en woningmarkt. En wat is dan nog dat ons bindt, bijeenhoudt? Op individueel niveau weten we nieuwelingen nog wel te waarderen en hun gewoonten te respecteren, maar op groepsniveau – aangewakkerd door politieke groeperingen en invloedrijke social media – liggen de kaarten anders. Dan overheersen gevoelens van achterstelling in een concurrentiestrijd en is de angst voor culturele en sociaaleconomische overheersing dominant. Het vreemde en andere worden gezien als bedreiging van de bestaande orde en worden gezien als inbreuk op een geïdealiseerd historisch gemeenschapsbeeld. De uitdaging is niet gelegen in een herstel van het oude, een ‘terug in de tijd’, maar in een breed uitgedragen nieuwsgierig optimisme waarin bedreigingen worden omgezet in kansen. In het kader van herstel en nieuwe verbondenheid zal ik een paar positieve aanzetten formuleren. Maar nu eerst terug naar de bedreigingen, wat zijn daarvoor de verklaringen, wat valt er te begrijpen?

 

  1. In elkaar grijpende bewegingen

Zoals gezegd, ontheming en ontworteling in de samenleving zijn niet te ontkennen. Ongetwijfeld heeft de mechanisering van ons wereldbeeld hier iets mee te maken. Kenmerkend daarvoor is dat dingen steeds minder bezield zijn. Bovendien worden economische relaties en gedragingen steeds weer uitsluitend rationeel verklaard. Dat wordt zichtbaar in een ‘economie met onbegrensde groeimogelijkheden’, in een ‘ecologie van schaarste en eenzijdigheid’, maar ook in een ‘sociologie van vervreemding en ontheming’. Bij elkaar genomen, een samenleving (en organisaties!) die ontworteld en daarmee ontzield is en geen identiteit meer heeft. Alles lijkt op elkaar, maar wordt gepresenteerd als uniek. De betekenis van Heimat zoals Reitz nog liet zien – uniciteit van de regio met z’n eigen specifieke landschap, dialect, taal en cultuur - is verdwenen. Dat geldt voor het onderscheidende en pluriforme karakter van de samenleving welke is opgegaan in een uniformerende eenheidscultuur waaraan iedereen ondergeschikt wordt gemaakt. Dat is ook de reden dat de filosoof Hannah Arend spreekt van een crisis in de cultuur. Deze is volgens haar het gevolg van de massamens, die geen (eigen) (herkenbare) smaak heeft en zich niet beroept op de common sense. De massamens kiest steeds voor het bevredigen van zijn behoeften, denkt vanuit de middelen, put deze uit en gaat voorbij aan de duurzaamheid van de dingen die wortelen in het verleden en verwijzen naar de toekomst[17]. Zo is het eigenaardige van het Heimatbegrip vanuit een patriottistische waarde[18] teloorgegaan en opgegaan in een door en door geïndividualiseerde en geëconomiseerde samenleving, die dat woord nauwelijks verdient.

 

De kracht van het Heimatbegrip is met de opkomst van de nazi-ideologie ingepast in totalitaristisch stelsel. Het gaat dan niet meer om de uniciteit van regio’s en gemeenschappen, neen, die uniciteit is getransformeerd tot identiteit van het land (met als aansprekende slogan ‘eigen volk eerst’). Daarmee wordt de gehele maatschappij ondergeschikt gemaakt aan het idee van een nationale staat met een staatsideologie die de gehele samenleving vanuit de overheid tot in haar diepste geledingen doordringt. Zo ontstaat een eng - anderen uitsluitend – nationalisme dat kan blijven bestaan door ‘gemeenschappelijke vijanden’ te creëren en schuldigen te zoeken voor onherroepelijke ‘tegenslag’. In haar boek ‘Verworteling; wat we de mens verplicht zijn’ van 1949 (!) laat Simone Weil twee dingen zien die in dit verband relevant zijn[19]. Allereerst, en aansluitend bij de titel, spreekt zij over het geworteld zijn als misschien wel de belangrijkste en meest miskende behoefte van de menselijke ziel. Daarbij verwijst zij naar de actieve deelname aan een gemeenschap en komt ze heel dicht bij het oorspronkelijke Heimatbegrip. Niet alleen oorlog, maar ook de macht van het geld, de internationale economische dominantie en niet te vergeten de ontbinding van sociale en culturele gemeenschappen veroorzaken ‘de ziekte van ontworteling’ in onze cultuur. En dan heeft ze het niet alleen over de stad met z’n industriearbeiders, maar – in deze context relevant – over de boeren op het platteland, waarvan de ontworteling bijna letterlijk te maken heeft met het doorbreken van de complexe, maar natuurlijke kringloop tussen het gebruik van natuurlijke energie en een duurzaam beheer van de grond. Het tweede element waar we niet aan voorbij kunnen gaan is het gevaar dat onze zogenaamd neutrale geseculariseerde samenleving afglijdt richting een totalitaire staat die geregeerd wordt door de leugen van ‘valse grandeur’. Zo’n staat baseert zich op de illusie van innerlijke eenheid uit naam van ‘het volk’, maar is in feite één grote verleidingsstrategie voor ontredderde zielen. Dit beeld van een geweld aan doen aan het ware, het goede en het schone is ook in onze tijd heel herkenbaar. Weil probeert met haar schrijven het verlangen van ons ontvankelijk te maken voor het goede dat zich moet zien te verhouden tot de noodzakelijkheid van de wereld met z’n wetmatigheden. Zij ziet een uitweg in enerzijds het versterken van regionale en sociale verbanden die zich verantwoordelijk voelen voor de eigen leefomgeving en anderzijds in versterking van het besef van verbondenheid met andere volken.

Zowel Orwell (1945), Weil (1943) als Arendt (1954) waren scherpe observatoren van de wereld waarin zij in en net na de oorlog leefden, maar tonen ook een vooruitziende blik richting onze tijd. Ze beschrijven de unificerende en homogeniserende mechanismen van machtsvorming, onderwerping en ontworteling. Processen die uitmonden in nationalisme met een autocratisch leiderschap en – niet ondenkbeeldig – een totalitaire staatsvorm.

 

Over neoliberalisme en nationalismeOver neoliberalisme en nationalisme

Jarenlange nadruk op schaalvergroting, uniformiteit, efficiëntie, winstbejag en doorgeslagen individualisme hebben onder het marktdenken van het neoliberalisme/kapitalisme niet alleen geleid tot ‘gelijkgeschakelde landschappen’, maar ook tot ondermijning van gemeenschappen. Vervreemding en eenzaamheid zijn de wrange vruchten van dit marktdenken, zowel van mensen naar elkaar als van de mens ten opzichte van zijn omgeving, het milieu en de kosmos. Dat hier een fundamentele reactie op komt is begrijpelijk en voorstelbaar. Maar die is niet gekomen op de manier zoals we die hadden mogen verwachten. Namelijk niet als een radicale kritiek op het kapitalisme dat de mens uitbuit en tot slaaf van de consumptie maakt en tegelijkertijd de grond uitput totdat deze waardeloos wordt. In tegendeel, ons politieke bestel is gericht geweest op bescherming van en vertrouwen op de markt en niet op de mens, de gemeenschap, laat staan op de grond onder onze voeten. De liberale politiek van decennialang heeft ons ook niet voorbereid op een andere toekomst die duurzaam en Ridders_ van het ongenoegenvolhoudbaar is. En dat is zich gaan wreken op een tamelijk ‘primitieve’ manier. De opkomst en kracht van de populistische partijen komt niet voort uit een grondige sociaaleconomische systeemkritiek die zich richt op multinationals, grootverdieners of beschermers van hen. Noch betreft het een kritiek op de mechanismen die leiden tot grote en oplopende verschillen in welvaart en vermogen. De onvrede van de populistische partijen wordt vooral gevoed door een angst voor een onzekere toekomst. Die angst komt neer op een conservatieve hang naar een geïdealiseerd verleden en wordt gepersonifieerd door ‘nieuwkomers’ die onze banen in zouden pikken en ‘onze waarden’ niet zouden onderschrijven. Zij vormen dus een bedreiging voor onze economie en onze culturele identiteit. Dat gecreëerde vijandsbeeld heeft dus minder te maken met een gematigd patriotisme dan met een nakend nationalisme, waarin autoritair leiderschap, slaafs volgerschap en georkestreerde xenofobie hand in hand gaan. Dat is zo’n beetje het beeld dat we herkennen van de huidige condition humaine in ons eigen land. Noch het landschap dat ons omgeeft, noch de mensen met wie wij leven worden op hun juiste waarde getaxeerd. Wat fysiek en sociaal divers en pluriform is wordt platgeslagen en uitgeput. Hoe ver moet de ontkenning van wat waar, goed en schoon is nog gaan voordat we tot de conclusie komen dat we op een doodlopend pad terecht zijn gekomen?

 

De mix van een neo-liberalistisch toekomstbeeld van extreem geloof in technologische oplossingen, winstmaximalisatie en individueel succes, gekoppeld aan een nationalistische ideologie van het aanwakkeren en exploiteren van angst leidt tot een maatschappij die telkens het wantrouwen voor de ander, het vreemde en onbekende voedt. Hoe overtuigend het beeld van deze extreemrechtse giftige chemie er ook uit mag zien en aan de man wordt gebracht, het verbloemt de werkelijke behoefte van de mens aan worteling, verbinding, betekenis- en zingeving. Hoewel niemand exact weet wat de juiste weg is, weten we wel dat een krampachtig terugverlangen naar het verleden, ‘een terug in de tijd’ dat niet is. En eigenlijk weten we ook wel dat de groeiende sociaaleconomische ongelijkheid gebaseerd op uitputting en misbruik nooit de basis kan vormen voor een duurzame, gezonde samenleving. Tot zover dus een beschrijving van wat niet helpt om de toekomst met vertrouwen in te stappen. Wat dan wel? Zijn er signalen uit de samenleving die laten zien hoe het dan wel kan? Hoe vertrouwen in onszelf, in elkaar en in onze wereld (amor mundi) kan groeien? Kortom: hoe een gezond patriotisme met een doorvoeld besef van Heimat kan leiden tot een liefde voor mens en land(schap) als elkaars spiegelbeeld.

 

  1. Herstel en nieuwe verbondenheid

Laat ik terugkeren naar mijzelf en aansluiten bij mijn eerder gedeelde herinneringen aan de schoonheid van landschappen en de belangstelling voor het ontstaan van gemeenschappen – en natuurlijk - de studie die daarbij aansloot. Dan denk ik aan de tuindorpen en tuinsteden die begin van de vorige eeuw in opkomst waren en die zich baseerden op het creëren van goede woningen en een fijne leefomgeving met veel groen, met de voordelen van de stad en de gemeenschap van een dorp. In veel van die tuindorpen en tuinsteden wordt nog steeds met plezier gewoond en geleefd. Maar ik denk ook terug aan de periode tussen 2016-2022 toen mijn vrouw en ik actief waren in Breda om binnen de gemeentegrenzen een uitdagende, multifunctionele ecowijk van de grond te trekken[20]. Centrale gedachte was het bevorderen van een collectieve landschapsbeleving die verder ging dan het privéwoongenot achter een schutting. Dus het aanbrengen van meer balans tussen privaat en publiek belang: gemengd wonen voor mensen met een grotere en kleinere beurs, minder grote huizen en tuinen en meer (landschappelijk) publieksgroen en een reeks van gemeenschapsvoorzieningen om de ontmoeting met elkaar en de omgeving te stimuleren. In feite kwam het erop neer om de vier kernwaarden van O’Riordon – verantwoordelijkheid, zorg, eerbied en nederigheid – in de praktijk te brengen, zowel in onze visie als het bijpassend ruimtelijk ontwerp. Waarden die we centraal stelden: zelf verantwoordelijkheid nemen voor ontwikkeling, beheer en onderhoud van het gebied; zorg en aandacht hebben voor elkaar zonder anderen uit te sluiten; inspelen op de natuurlijke processen die kenmerkend zijn voor het gebied; besef hebben van alles wat leeft en groeit en dus nederigheid tonen ten aanzien van onze invloed op de omgeving.

 

Deze voorbeelden laten zien dat de wereld, de natuur en de mens betekenis hebben, op zichzelf, maar vooral in relatie tot elkaar. Het betekent ook dat wij mensen over bijzondere vermogens en kwaliteiten beschikken om bij te dragen aan een groter geheel. Het kan groot en klein zijn, verder weg of dichtbij. Het kan de familie zijn, het kunnen kennissen en vrienden zijn, buurtgenoten, medelanders of wereldburgers. Dat besef deel te zijn van een groter geheel maakt sterk, maar brengt ook een groter besef van kwetsbaarheid en afhankelijkheid van anderen met zich mee. Het leven is een constant zoeken naar balans en evenwicht, tussen het leveren van je eigen bijdrage en die van anderen. Het in verbinding zijn met anderen brengt twee dingen met zich mee: een reflectief vermogen over wat je eigen kwaliteiten zijn, alsmede de erkenning van en waardering voor de kwaliteiten van anderen. Die balans veronderstelt afstemming en samenwerking. Ten grondslag hieraan ligt een fundamentele nieuwsgierigheid over hoe andere mensen leven, naar de wereld kijken en naar henzelf en hoe je daarover met elkaar in gesprek kunt gaan. Het organiseren van ons leven berust dus op een besef van verbondenheid met anderen in steeds wisselende constellaties en met erkenning voor jezelf. Nieuwsgierigheid gaat hieraan vooraf, maar beperkt zich niet tot de vraag hoe wij als mensen ons tot elkaar verhouden, het gaat verder en is groter. Het kan uitmonden in regelrechte verbazing over de schoonheid en kracht van wat is, wat ons omgeeft, wat leeft en groeit. Dat besef van schoonheid geeft energie om door te gaan op de weg die we hebben gekozen, of om juist een nieuwe, onbetreden weg in te slaan: dichterbij wat je zelf belangrijk vindt, dichterbij anderen, dichter bij de natuur. Zoals de tuindorpen- en steden van de vorige eeuw en de ecodorpen en -wijken in deze eeuw ons laten zien.

 

GemeenschapDit brengt mij bij de conclusie dat een levensvatbare, toekomstige samenleving niet zal kunnen bestaan uit een optelsom van door de markt opgeknipte consumenten, noch uit een geconstrueerd volk van individuele mensen met een veronderstelde unieke en eenduidige identiteit die anderen uitsluit. Wenselijker is een samenleving die stevig is opgebouwd uit reeksen van flexibele gemeenschappen op alle ruimtelijke schaalniveaus – stad, land en staat - die gekenmerkt worden door zorg en betrokkenheid bij elkaar. Zo kan iedere mens tegelijkertijd in verschillende lokale gemeenschappen participeren en een nieuw, eigen thuisgevoel ontwikkelen. Denk aan het gezamenlijk organiseren van energie, gezond voedsel, buurtveiligheid, groen- en tuinonderhoud, cultuur-muziekavonden, boodschappendiensten, leesclubs, specifieke hulpvragen. Deze vormen van lokale gemeenschappen op basis van individuele behoefte, belangstelling en betrokkenheid organiseren zichzelf, zijn inclusief in de zin dat iedereen kan deelnemen en niemand uitgesloten wordt. Ze hebben de vorm van kleine netwerkjes, die samen een gemeenschap vormen. Wat ze resoneren is een liefde voor de eigen fysieke en sociale omgeving. Wat zichtbaar en voelbaar is, is een soort van lokaal patriotisme met een geworteld Heimatgevoel dat mensen bevrijdt uit hun isolatie en hen weer een thuis geeft. Zo kan een samenleving ook weer leren samen te leven en hoeft de overheid niet te worden overvraagd. Want een overheid kan nooit een compensatie zijn voor het ontbreken van samen leven. Wel mag van die overheid een pedagogische houding worden verwacht, die zich toont in meedenken, faciliteren en middelen beschikbaar stellen. Kortom: die samenwerkt en dit doet vanuit een overstijgend belang van de noodzaak om een leefbare en veilige omgeving te creëren. In een democratie dragen de burgers de overheid en is de overheid daarmee van alle burgers. Dat proces waarin zowel samenleving als overheid zich ontwikkelen en uit hun comfortzone tevoorschijn komen, heb ik bedoeld met de ondertitel van dit essay ‘over de overwinning op onszelf’: een noodzakelijk, maar moeizaam proces van (zelf)disciplinering, (zelf)reflectie en lerend vermogen.

 


 

[1] ‘Paradise lost’ en ‘Paradise regained’ zijn gedichten van de Engelse ambtenaar/dichter John Milton (1608-1674) waarin wordt verteld dat wat verloren is gegaan ook weer herwonnen kan worden. Eerst beschrijft Milton hoe Adam en Eva – de mens symboliserend – toegeven aan de verleiding van de Satan en door hun ongehoorzaamheid het paradijs moeten verlaten. Daarna hoe Jezus juist door het bieden van weerstand aan de Duivel het paradijs kan herwinnen. Daarmee laat Milton iets doorschemeren van de beïnvloedbaarheid van het lot door de daadkracht van de mens. Met innerlijke kracht, wijsheid en morele keuzes kan de mens het paradijs herwinnen, zo zou zijn boodschap kunnen luiden.

[2] Landschappen zijn opgebouwd uit een drietal lagen, te beginnen bij de abiotische laag van rotsen, stenen, zand en water. Daarop heeft zich biotische laag ontwikkeld van de planten- en dierenwereld en daarbovenop de antropogene of occupatielaag. Dat wil zeggen de laag van de menselijke bewoning. In elke laag spelen landvormende processen, waarin de mens in de loop van de tijd een steeds dominantere rol is gaan spelen.

[3] Zie bijvoorbeeld het boek van Ben de Pater met de pakkende titel De ontdekking van de geografie; sociale geografie als wetenschap (2014) Perspectief Uitgevers. Utrecht. Zo sloten mijn persoonlijk ontdekking en beleving van het landschap en de ontdekking van de geografie als wetenschap prima op elkaar aan.

[4] T. O’Riordan (1976) Environmentalism. Research in Planning and Design. Pion Printed, Brandsbury Park. London. Dat gedrag roept op tot permanentie en stabiliteit en is gebaseerd op de ecologische principes van diversiteit en homeostase.

[5] Vaak door het overloopgebied van de rivier de Mark dat is opgenomen in het landelijke programma ‘Ruimte voor de Rivier’. Dit is een in 2007 door het Nederlandse parlement besloten Planologische kernbeslissing met als doel het tegengaan van overstromingen van de grote rivieren en, in navolging van het gedachtegoed van Plan Ooievaar uit 1986, het verbeteren van de 'ruimtelijke kwaliteit' van het rivierengebied.

[6] Ton Lemaire (1970) Filosofie van het landschap. Uitgeverij Ambo. Bilthoven.

[7] Lemaire spreekt van een overgang van theodicee naar geodicee. Het eerste verwijst naar het middeleeuwse godsbewijs, zoals denkers als Thomas van Aquino probeerde aannemelijk te maken dat God bestaat. Vanaf de Verlichting komt de aarde centraal te staan met de mens als zelfstandig denkend en kennend wezen dat die wereld stap voor stap naar z’n hand zet. Daarvoor hanteert Lemaire de term geodicee.

[8] Verdingelijking of reïficatie is volgens Wikipedia een misvatting van misplaatste concreetheid. Een abstractie wordt voorgesteld als iets concreets.

[9] Bruno Latour (2020) Het parlement van de dingen; over Gaia en de representatie van niet-mensen. Uitgeverij Boom. Amsterdam.

[10] Wim de Haas (2022) Het landschap verstaan; een zoektocht naar betekenis in het spoor van zen and the art of motorcycling maintenance. Uitgeverij De Graaff.

[11] Peter Sloterdijk (2014) Je moet je leveren veranderen. Uitgeverij Boom, derde oplage. Amsterdam.

[12] Zie bijvoorbeeld Svenja Flasspöhler (2021) Sensibel; over de grenzen van de menselijke gevoeligheid. Uitgeverij Ten Have. Utrecht.

[13] Kenneth Rijsdijk (2022) Heg; een behaaglijk landschap voor mens en natuur. Uitgeverij Noordboek Natuur.

[14] Volkert Engelsman, voorzitter van het transitienetwerk Robin Food Coalition, geeft in het artikel ’Minister Wiersma, bedenk: een betere landbouw begint bij een betere natuur’ in dagblad Trouw van 18-09-2024 aan dat het door ontwikkelen van de bestaande turbo-landbouw een doodlopende weg is. Hij pleit voor een integrale visie op ons voedselsysteem, dat weerbare ecosystemen, gezondheid en eerlijke welvaartsverdeling verbindt. Uitgangspunt is voedselverbouw in harmonie met de natuur.

[15] Het gaat om het dorp Schabach gelegen in het middelgebergte de Hunsrück dat onderdeel uitmaakt van het Rijnlands leisteenplateau. De meeste aandacht gaat uit naar de wederwaardigheden van de familie Simon en dan in het bijzonder van zoon Herman die carrière maakt in de muziek, zich ontpopt als kosmopoliet en vervreemd raakt van zijn eigen wortels.

[16] Zie dagblad Trouw van 26 februari 2018 met de titel Heel Duitsland wil een thuisgevoel; een minister van Heimat.

[17] H. Arendt (1995) De crisis in de cultuur; haar sociale en politieke betekenis. Uitgeverij Kok Agora, Kampen.

[18] Zie George Orwell (2024) Over nationalisme. Uitgeverij Prometheus, Amsterdam. Orwell geeft aan dat deze liefde voor culturele eigenheid, waardering voor tradities met een gevoel voor trots voortkomt uit een positieve vorm van patriotisme. Deze blijkt uit toewijding en specifieke plaats en een manier van leven die men voor het beste van de wereld houdt. Echter zonder deze aan anderen te willen opleggen. Het gevaar is dat deze trots omslaat in een nationalisme waarin juist wel het eigen gelijk gepredikt wordt en opgelegd wordt aan anderen. Het verlangen naar macht staat hier centraal vanuit de onbetwijfelbare overtuiging en emotie die zich uiteindelijk ontwikkelt tot een ideologie van winnaars en verliezers. Volgens mij ontbreken in een dergelijk nationalisme twee belangrijke waarden: de erkenning van zelfreflectie en die van waardering van pluriformiteit.

[19] S. Weil (2022) Verworteling; wat we de mens verplicht zijn. Uitgeverij IJzer, Utrecht.

[20] Ik heb in een eerder essay uitgebreid over dit initiatief geschreven; zie www.vinndt.nl/essays “Beproevingen en krachtmeting; leerervaringen van een burger-ondernemersinitiatief.

 


 

Terug...

^ Naar boven